A Tale Of 2 Cities

A tale of two cities (Dickens)

Ik heb mijn tienerjaren doorgebracht in een dorp. Aan de ene kant van ons huis woonden mijn grootouders, aan de andere kant koeien. Veel koeien. Verder de bakker, de beenhouwer, de kerk. En anderhalve punker. Daarover werd schande gesproken.

Een paar jaar eerder waren we verhuisd van de rand van Brussel naar het geboortedorp van mijn mama. Ze had nooit kunnen wennen aan de adem van een grote stad en aan buren die een andere taal spraken. Mijn papa plaatste een bord ‘Te koop’ in onze tuin. Ik zie het nog staan. Ontheemd. Over de verhuizing werd niet onderhandeld. ‘Waarom?’ ‘Omdat ik het zeg. En omdat ik uw vader ben.’ Een uitspraak die op bijzonder veel dingen van toepassing bleek, want hij galmde doorheen mijn hele jeugd.

En weg waren we, naar een woonst tussen de gevlekte viervoeters. ‘De beschaving, die begint enkele straten verder,’ zeiden mijn zus en ik tegen elkaar. 

In de dorpsschool werd ik uitgelachen, omdat ik ‘raar stads’ sprak, en enkel een zwembroekje had en nog geen badpak. In mijn kamertje in dat nieuwe huis heb ik de eerste keer eenzaamheid ervaren. Een vreemde vogel met geknakte vleugels. Er volgden puberjaren vol gesukkel.

En later, studeren in Gent. Eindelijk! Een nieuw begin, de anonimiteit, het ‘anders’ mogen zijn, en vooral: de vrijheid. De ontdekking van de hemel. Ik zocht de Vooruit met een stratenplan. Ik vond nog veel meer. Zonder stratenplan.

Ook nu krioelen ze door de stad, studenten vol hoop. Een verse lading. Ik herken ze meteen, aan hun gulzige ogen, klaar voor alle verlokkingen. Ze zoeken de Vooruit met hun smartphone. Dat de NV Vrijheid gepeperde rekeningen stuurt, zullen ook zij ondervinden.

Ik ben van steden blijven houden, en geniet telkens weer intens van elke eerste hap: Londen, Berlijn, Parijs.

Deze nazomer gingen mijn lief en ik naar Madrid. Ik had er lang naar uitgekeken. We werden ontvangen door een overenthousiaste Spanjaard, hij duidde in een vreemd soort vloeiend Engels alle toeristische hotspots aan op een vereenvoudigd plan. Het appartement zou ruimte bieden voor vier mensen, maar was net groot genoeg voor twee valiezen. Dan maar naar buiten, waar we worstelden met de stad. Zo groot, zo veel volk. Anoniem waren we er zeker, overrompeld ook. ‘Je zal mij nog gelijk geven, we zijn met teveel,’ fluisterde mijn lief. Heerlijk toch, zo’n salonfilosoof. Maar in mij woedde een bijna existentiële crisis. Want het vlotte niet met Madrid. Was ik ineens zo oud geworden? Dat kon toch niet waar zijn!

De volgende dag keken we naar een werk van Bosch, dat hielp. Daarna, op een terras in een ‘alternatieve buurt’, tussen andere vreemde vogels (waaronder zeker vier volledige punkers), vielen de dingen voor het eerst op hun plaats.

Maar het echte antwoord kwam pas op de terugweg, tijdens een stop in Baskenland. Daar, oog in oog met de kracht van de woeste oceaan, werd het eindelijk stil vanbinnen. ‘Misschien moeten we volgend jaar naar hier komen,’ hoorde ik mijzelf schoorvoetend opperen.

Intussen ben ik weer in Gent. De plek waar mijn vleugels genazen. Waar ik opnieuw leerde vliegen. Waar ik een thuis vond. Mijn thuis. Hier. 

warme groet van Joke, in de herfst van 2019